Corona en juridische gevolgen

Dat de coronacrisis leidt tot grote economische gevolgen mag wel duidelijk zijn. Hoe zit dat met de juridische gevolgen voor lopende contracten? Helemaal duidelijk is dat niet. De snelheid waarmee de gevolgen voelbaar worden en de omvang van de gevolgen variëren. Algemeen is men het er wel over eens dat de crisis te kwalificeren is als een ‘onvoorziene omstandigheid’, wat in het burgerlijk wetboek is opgenomen in artikel 6:258 BW.

Wat zegt dit artikel eigenlijk? Het zegt dat dat de overeenkomst kan worden gewijzigd of (deels) ontbonden op grond van onvoorziene omstandigheden die dusdanig zijn dat ongewijzigde instandhouding naar redelijkheid en billijkheid niet mag worden verwacht.

Wat zijn de vereisten?

  1. Het moet gaan om omstandigheden die na het sluiten van de overeenkomst zijn ontstaan en waar bij het sluiten van de overeenkomst geen rekening mee is gehouden. Dus als een overeenkomst in mei 2020 is gesloten, kun je nu geen beroep doen op dit artikel.
  2. De omstandigheden moeten dusdanig zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding mag verwachten. Hiervoor geldt een hoge drempel, de hoofdregel is immers dat overeenkomsten moeten worden nagekomen. Denk bijvoorbeeld aan de organisatie van een evenement dat niet door kon gaan omdat de overheid de nakoming verbiedt.
  3. De omstandigheden moeten niet op grond van de overeenkomst of op grond van de in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen voor rekening van degene komen die een beroep doet op dit artikel. 

Bij de beoordeling of een partij terecht een beroep op dit artikel kan doen, weegt een rechter alle omstandigheden van het geval mee. Of een beroep slaagt hangt af van de tekst van de overeenkomst en is een kwestie van uitleg. Als een rechter meegaat in de eis dan heeft hij veel vrijheid in zijn oordeel. Hij kan geheel of gedeeltelijk ontbinden, tijdelijk ontbinden of de overeenkomst aanpassen, steeds met als doel het contractuele evenwicht te herstellen.

Als u zelf in een dergelijke situatie terecht komt, moet u dus altijd eerst naar het specifieke contract kijken. Als er toch al annuleringsmogelijkheden zijn, of een bevoegdheid tot wijziging is, dan is een beroep op artikel 6:258 BW misschien niet eens nodig. In de literatuur en jurisprudentie is een teneur zichtbaar om deze schade gelijkelijk te verdelen, 50/50. Hier is veel voor te zeggen, maar het is geen algemene regel. Soms is het logischer om de overeenkomst volledig te ontbinden, bijvoorbeeld omdat het doel helemaal niet meer kan worden gehaald. Soms is het beter om gedeeltelijk te ontbinden, bijvoorbeeld alleen dat deel dat niet kan worden nagekomen. Ook opschorting van de prestatie is mogelijk, bijvoorbeeld betaling van de huursom tot over een paar maanden. Of combinaties, deels ontbinden en deels opschorten (bv 50% huursom nu, 50% ontbinden, als gevolg waarvan dat deel niet betaald hoeft te worden). 

Het leerstuk van onvoorziene omstandigheden zit dicht aan tegen de leerstukken overmacht en redelijkheid en billijkheid. Als er geen sprake is van onvoorziene omstandigheden, kan er nog altijd wel sprake zijn van overmacht of kan de overeenkomst op grond van de redelijkheid en billijkheid worden aangepast.

Mocht u tegen een situatie aanlopen waarin het niet rechtvaardig lijkt dat uw contractpartij u aan de overeenkomst wil houden, of juist wanneer het onrechtvaardig lijkt dat uw contractpartij onder de overeenkomst uit wil komen, dan kan het zinvol zijn om te laten beoordelen wat uw juridische kansen zijn.